Analyse: “Drones, het wilde westen van de oorlogsvoering”

Risicoloze communicatie vs. opinie

Af en toe vindt een journalist die een Defensie-gerelateerd verhaal wil brengen de weg naar… Defensie met een vraag om informatie. Deze vragen bereiken uiteindelijk de specialist ter zake die gelast wordt om “elementen van antwoord” te formuleren, en graag zo snel mogelijk want het nieuws wacht tegenwoordig niet meer tot de persen gaan rollen op het eind van de dag. Het probleem met de communicatie die Defensie verlaat is dat het meestal droge, zakelijke en risicoloze communicatie is, waar een journalist moeilijk een interessant verhaal rond kan bouwen. Als Geert Noels in zijn column “De Risicoloze Maatschappij” het nastreven van een job bij de overheid afschildert als toonbeeld van risico-aversie, dan moeten we hem in dit opzicht wel gelijk geven.

Het militaire beroep is in grote mate gebaseerd op de kunst om risico’s zo goed mogelijk te beheren. Dit kan zowel in een pure oorlogssituatie of tijdens een terroristische aanslag zijn waarbij onmiddellijk levensgevaar bestaat, als bij het afhandelen van een overheidsopdracht waarbij het respecteren van wetgeving en het doelmatig besteden van publieke middelen vooropstaan. De “elementen van antwoord” van de militaire specialist zullen na de verschillende hiërarchische filters dan ook zelden interessante invalshoeken of opinies bevatten, waarvoor onze oprechte excuses. Daarvoor zal de journalist elders moeten zoeken en politici, onderzoekers of andere opiniemakers aan het woord moeten laten. Zo ook bij het verhaal “Drones, het wilde westen van de oorlogsvoering” dat op 6 juli 2020 in de Tijd verscheen.

Voor het opiniërende gedeelte van dit artikel ging men te rade bij Wim Zwijnenburg, humanitarian disarmament project leader bij de Nederlandse vredesorganisatie PAX. Het onderzoeksrapport “Unmanned Ambitions” dat Wim Zwijnenburg en Foeke Postma schreven voor PAX is overigens zeer lezenswaardig en het artikel in de Tijd doet ook hier wellicht te weinig eer aan de geraadpleegde bron.

Booming business, maar met beperkingen

De eerste toon die gezet wordt, namelijk dat drones voor militair gebruik booming business zijn, klopt inderdaad. Je kan bijna geen toepassing meer bedenken of er is wel iemand die er een drone voor op de markt brengt en de operationele vraag naar deze toepassingen stijgt ook exponentieel, van observatie en landmeetkunde over transport, het verspreiden van pamfletten tot het uitschakelen van doelwitten. De beruchte “ninjaraket” waarvan sprake is echter geen drone an sich, waar wel een gemodificeerde AGM-114 R9X Hellfire munitie die kan worden afgevuurd door een drone (meestal een Medium Altitude Long Endurance Remotely Piloted Aircraft System of MALE RPAS) of door een bemand toestel.

De stelling dat “middeninkomenlanden” niet geïnteresseerd zouden zijn in “grote en dure Amerikaanse drones” maar eerder “kleinere, goedkopere en snellere drones” zouden willen is op z’n minst twijfelachtig. Enerzijds wordt de toegang tot MALE RPAS beperkt door de MTCR-overeenkomst (Missile Technology Control Regime). Onbemande systemen die minstens 500 kg munitie kunnen afleveren met een bereik van 300 km vallen in een specifieke categorie waarvan verspreiding maximaal moet worden tegengegaan.

In de VS staat het MTCR momenteel ter discussie als een rem op de export die niet meer is afgestemd op de huidige technologische evolutie, terwijl andere landen het minder nauw zouden nemen met de (vrijwillige) verbintenis van het MTCR om de verspreiding van de betreffende technologie in te perken. Deze verbintenis kan alleszins meespelen in de geopolitieke afweging die de VS in dit kader maken, wat kan resulteren in een weigering om bijvoorbeeld MQ‑9A “Reaper” te leveren aan bepaalde landen.

Andere landen nemen deze kans vaak met beide handen aan om hun gelijkaardige producten aan te bieden voor export en hun invloedssfeer verder uit te breiden. Een typisch voorbeeld daarvan is de Chinese Chengdu GJ-2 “Wing Loong II”, een soort van MQ-9A-kopie die al werd geleverd aan de Verenigde Arabische Emiraten, Saoedi-Arabië, Egypte, Kazachstan, Myanmar en Pakistan. China is geen lid van het MTCR, maar heeft zich wel geëngageerd om dezelfde principes na te leven bij export. Israël, een andere grote producent en uitvoerder van drones, is in hetzelfde geval en heeft net om die reden de IAI “Heron TP-XP” (XP=export) met een laadvermogen van 450 kg net onder de MTCR-limiet in de markt gezet, terwijl de werkelijke capaciteit wellicht hoger ligt.

Chengdu GJ-2 “Wing Loong II” op Dubai Air Show 2017
Bron: Mztourist / CC BY-SA (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)

Import en eigen ontwikkeling

Ook in sommige landen die volgens het artikel zoeken naar “kleinere drones” zien we deze import plaatsvinden. De geciteerde landen streven anderzijds ook naar eigen ontwikkeling, maar botsen hierbij vaak op beperkingen op het vlak van uitvoer van technologie. Restricties op het gebruik van bijvoorbeeld gps-technologie, satellietcommunicatie en zelfs propulsiesystemen kunnen de capaciteiten van deze alternatieven nog in belangrijke mate inperken. Landen zoals China gebruiken echter alle middelen om deze achterstand weg te werken. In 2018 werd in België, op vraag van de VS, nog een Chinese man opgepakt voor mogelijke spionage en poging tot stelen van specifieke luchtvaarttechnologie.

Turkije ontwikkelt met haar eigen luchtvaartindustrie op onafhankelijke wijze drones in zowat alle categorieën, zelfs MALE RPAS, en voert deze bovendien uit naar andere landen. De verschillende uitvoeringen van de “Anka” (gewicht 1600 kg) en “Bayraktar TB2” (gewicht 630 kg) kunnen ondanks enkele beperkingen bezwaarlijk als “kleine drones” beschouwd worden en kennen ook hun eerste operationele successen met gewapende inzet.

Algerije importeerde enkele in de VAE ontwikkelde MALE RPAS: twee bewapende Yabhon “United 40” of “Algeria 54” (gewicht 1500 kg) en twee kleinere onbewapende Yabhon “Flash-20” of “Algeria 55” (gewicht 1000 kg).

Taiwan stelde in 2019 een lokaal ontwikkelde MALE RPAS “Teng Yun” voor (te situeren tussen MQ-1A en MQ-9A).

Wit-Rusland stelde o.a. de door AviaTech ontwikkelde “Belar Ys-Ex” voor, een MALE RPAS met gewicht van +/-1500 kg, maar heeft ook kleinere bewapende drones in gebruik.  

In Zuid-Afrika ontwikkelt de lokale producent Denel Dynamics een MALE RPAS, de “Bateleur”, met een maximumgewicht van 1000 kg, vergelijkbaar met de MQ-1 Predator.

Oekraïne importeert o.a. Turkse “Bayraktar TB2”, maar produceert ook zelf een reeks drones, waarvan de Antonov AN-BK-1 “Horlytsia” de grootste is. Het aanslepende conflict in het land lijkt wel een soort incubator voor lokale ontwikkeling van drones, waarbij men ook aan crowdfunding doet om de nodige budgetten ter beschikking te stellen.

De Verenigde Arabische Emiraten waren o.a. lanceringsklant voor de Chinese “Wing Loong II” (gewicht 4200kg, de typische MQ-9A kopie). Daarnaast ontwikkelen en exporteren ze ook MALE RPAS van de “Yabhon”-familie.

Iran zal waarschijnlijk nooit een aanvraag ingediend hebben om Amerikaanse MQ-9A aan te kopen, maar de onafhankelijke ontwikkelingen worden alleszins druk gepromoot. Wat de werkelijke capaciteiten zijn is hierbij soms moeilijker te achterhalen. De “Shahed” serie MALE RPAS, maar ook de “Simorgh” en “Karrar” (eerder een soort kruisraket te noemen) zijn noemenswaardige pogingen.

Van links naar rechts: een ongeïdentificeerde UAV, Shaded-121 en Shahed-129
Bron: Fars News Agency Meysam Mah’abadi / CC BY (https://creativecommons.org/licenses/by/4.0)

De redenen waarom de drone-capaciteiten van de aangehaalde landen zich net iets onder deze van een MQ-9A bevinden is wellicht niet omwille van de zogezegde operationele voordelen, maar is eerder te zoeken in budgettaire beperkingen, inperking van export (o.a. op basis van MTCR) en gebrek aan toegang tot de nodige kennis om deze hoogtechnologische systemen in eigen beheer te ontwikkelen.

MALE RPAS: toekomst of verleden?

Als we zien dat zowat alle westerse landen en gebruikelijke partners van België volop inzetten op MALE RPAS en er zelfs een Europees ontwikkelingsprogramma loopt voor een toekomstige EU MALE RPAS, kunnen we bezwaarlijk concluderen dat België zich samen met al deze landen voorbereidt op de conflicten van het verleden. De huidige systemen hebben uiteraard beperkingen die ze minder geschikt maken voor inzet in zwaarbewaakt luchtruim.

Zoals eerder gezegd is er voor elke toepassing een drone. Dat dronezwermen hét toekomstalternatief zijn dat MALE RPAS definitief naar de schroothoop zullen verwijzen zal je weinig specialisten horen verklaren. Een MALE-toestel kan op grote hoogte gedurende meer dan 24u ongezien een doelwit observeren en, indien nodig, uitschakelen. Dit is een compleet andere opdracht dan een zwerm kleine kamikazedrones met beperkt bereik en vliegduur die door grondtroepen worden ingezet om een nabij doelwit uit te schakelen. Dat tegen dronezwermen geen verdediging bestaat is evenmin een onweerlegbaar feit. Zoals in elke wapenwedloop is er ook hier sprake van actie en reactie en er worden volop semiautonome systemen ontwikkeld die met klassiek afweergeschut, lasers, elektronische- of cyber-oorlogsvoering de zwermaanvallen zullen tegenhouden of op zijn minst ontregelen.

Kleine bewapende drones, hetzij artisanaal, hetzij geavanceerd, kunnen een rol spelen op het slagveld, maar missen toch de toegevoegde waarde van een groter systeem. Een MALE-systeem zoals de MQ-9B “SkyGuardian” die België aankoopt, kan desgevallend dagenlang ononderbroken ondersteuning bieden aan grondtroepen in de volledige cyclus van gedetailleerde identificatie van bedreigingen over nauwkeurige doelwitbepaling tot het effectief uitschakelen van bedreigingen, al dan niet met een “ninjaraket” om collaterale schade te beperken.

MQ-9B SkyGuardian tijdens certificatietesten op Laguna Army Airfield in december 2018
Bron: Mark Schauer (U.S. Army) / Public domain

Bewapende inzet: een must?

Voor deze laatste fase, de bewapende inzet, moet men in België nog wel een politiek debat voeren. In Duitsland, waar dit onderwerp politiek zeer gevoelig ligt, trachtte men onlangs de bevolking te betrekken bij het zogenaamde Drohnendebatte over het al dan niet bewapenen van de door Duitsland gebruikte Israëlische IAI “Heron TP” MALE RPAS. Beleidsmakers in het VK, Italië en Frankrijk namen reeds eerder de beslissing om de MQ-9A te bewapenen. Bij de strijd tegen het terrorisme in de Sahel-regio werden Franse MQ-9A onder andere ingezet ter ondersteuning van de Franse speciale grondtroepen bij de uitschakeling van Abdelmalek Droukdel, de leider van Al Qaeda in Noord-Afrika.

Hoewel er in Syrië en Libië wel uitzonderingen bestaan, zijn in de huidige conflicten de fases met hoge gevechtsintensiteit en een zwaarbewaakt luchtruim (of “contested airspace”) eerder zeldzaam. In de daaropvolgende langdurige stabilisatiefase waarin de grondtroepen met voortdurende dreigingen te kampen hebben, zijn MALE RPAS zoals de MQ-9A een onmisbare aanwinst om de vrijheid van handelen van de vijand te beperken en de eigen risico’s te minimaliseren. Het bewapenen van deze toestellen kan zeker een meerwaarde betekenen om de tijdspanne tussen het identificeren en het uitschakelen van een bedreiging te reduceren.

Voor operaties in zwaarbewaakt luchtruim zijn er inderdaad andere middelen nodig zoals het artikel van de Tijd stelt. Gevechtsvliegtuigen die gebruik maken van elektronische oorlogsvoering, stealth-technologie en/of specifieke bewapening kunnen hierbij ook assisterende onbemande systemen aansturen en gebruiken voor de meest risicovolle aspecten van de opdracht (de ontwikkelingskosten kunnen misschien wel “royal” zijn zoals het artikel insinueert, maar we spreken hier toch eerder van “loyal wingman”).

Toekomstbeeld US Air Force

Zelfs de VS, het land met veruit het grootste defensiebudget ter wereld, ziet zich echter genoodzaakt om keuzes te maken in de toekomstplannen op het vlak van onbemande systemen. Hier en daar suggereerde men dat de MQ-9A stilaan naar de uitgang wordt begeleid. Momenteel voorziet de US Air Force een ondersteuning van 70 patrouilleerzones wereldwijd (waarvoor telkens een aantal toestellen elkaar moeten kunnen aflossen). Per permanente patrouilleerzone (of CAP – Combat Air Patrol) moeten ongeveer 3 à 4 vliegtuigen klaarstaan en de US Air Force heeft daarvoor ook meer dan 300 MQ-9A op inventaris. Terwijl men in het Pentagon plande om het aantal CAP’s na 2020 te reduceren naar 60 kwam hierop onmiddellijk een tegenreactie van de combattant commands, de operationele verantwoordelijken in de verschillende inzetzones.

Ook in de budgettaire onderhandelingen tussen het Pentagon en de bevoegde comités van het House of Representatives en de Senate zijn er wisselende adviezen over de toekomst van de MQ-9A. Het hoofd van de aankoopdienst van de USAF, Will Roper, liet in zijn getuigenis voor het House Armed Services tactical air and land forces subcommittee op 10 maart 2020 uitschijnen dat de “reductie” in realiteit eerder neerkomt op een consolidatie in kwantiteit, om verder te kunnen inzetten op kwaliteit en toekomstevoluties.

Veel van deze mogelijke verbeteringen aan de MQ-9A en mogelijke opvolgers hebben tot doel om de systemen veiliger, effectiever en efficiënter te maken door in te zetten op redundantie, de ergonomie van de cockpit en interactie tussen bemanning, het beheer van data, automatisering en artificiële intelligentie. Hierbij moet opgemerkt worden dat de MQ-9B SkyGuardian die België aankoopt een evolutie is van de MQ-9A die veel van deze verbeteringen al van bij het begin zal integreren.

De analyse die de Amerikanen maken is ook niet simpelweg dat men “de optie verkent om goedkopere en commerciële drones aan te kopen omdat de Reapers gemakkelijk uit de lucht te schieten zijn” zoals gesteld in de Tijd. Volgens Will Roper kijkt men naar een mix aan opties voor de toekomst. Enerzijds zullen er high-end typisch militaire toepassingen zijn die moeten kunnen overleven in een zwaarbewaakte omgeving (hoogtechnologisch en dus duur). Anderzijds kan er ook meer commercieel beschikbare technologie worden toegevoegd aan de mix om systemen in grotere aantallen aan een lagere kostprijs aan te kopen. Het bepalen van de juiste verhouding moet echter nog gebeuren.

Onbemand is onbemind?

In het artikel van de Tijd veronderstelt men verkeerdelijk dat de Belgische Defensie zich beperkt tot de aankoop van 2 systemen MQ-9B. In uitvoering van de Strategische Visie voor Defensie zijn er meerdere dossiers met betrekking tot drones die sinds 2016 al gerealiseerd werden of waarvoor de voorbereiding en het goedkeuringsproces momenteel loopt. Deze dossiers zijn te situeren in zowat alle categorieën van de onbemande toestellen (micro, mini, tactisch en MALE) en zowel voor Lucht-, Land- als Marinecomponent. In het noodzakelijke addendum aan de Strategische Visie dat op de werktafel van de volgende federale regering zal komen, zullen onbemande systemen waarschijnlijk ook een belangrijk aandeel blijven innemen om deze evolutie te bestendigen.

De Raven: 007 in het luchtruim.
Bron: www.mil.be

Voor eenvoudige niet-militaire opdrachten kan men het gebruik van commerciële drones nog overwegen, maar voor militaire inzetopties gelden andere criteria op het vlak van o.a. databeveiliging en robuustheid. Voor eigen knutselwerk waarbij commerciële drones worden omgebouwd tot vliegende bommen zal de Belgische Defensie wellicht passen omdat dit haaks staat op alle principes van zorgvuldigheid en het maximaal vermijden van burgerslachtoffers waarmee militaire operaties moeten gevoerd worden.

Dat andere strijdkrachten, conventioneel of hybride, hier hun voordeel uit halen lijkt moeilijk te vermijden. De discussie over de vastgestelde evoluties en het ethisch gebruik van nieuwe onbemande militaire technologieën lijkt onvermijdelijk maar moet ook met kennis van zaken gevoerd worden. Men kan overwegen om, naar het voorbeeld van clustermunities en antipersoneelsmijnen, het gebruik van drones aan beperkingen te onderwerpen. Hierbij vertrekken van vaste principes en ideeën over “killer-robots” brengt weinig zoden aan de dijk.

Een grondig begrip van de toegepaste technologie en de mogelijke inzetscenario’s met of zonder menselijke tussenkomst is een must voor beleids- en opiniemakers. Experten in deze technologieën, in militaire strategie/tactieken, in oorlogsrecht en -ethiek hebben de opdracht om hun bijdrage te leveren aan deze discussie. Journalisten kunnen hierbij de belangrijke taak opnemen om al deze bijdragen te verwerken tot een overzichtelijk en coherent beeld om het publiek bij het debat te betrekken, maar dan liefst niet onder druk van een deadline en clicks-doelstellingen…

Artikel: (c) Belgian Military Interests

Share this:

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.