KHID: the challenges of Western military capabilities in the light of the Ukraine crisis

Op 21 september ll. organiseerde het KHID een panelgesprek onder de titel ‘the challenges of Western military capabilities in the light of the Ukraine crisis’. Het panel bestond uit VCHOD Gen. Thys,  Gen. Damen (NL), François Michel (CEO, John Cockerill), Prof Mattelaer (VUB, Egmont) en Nicolas Gosset (Asia & eurasia Researcher KHID), gemodereerd door Jens Franssen (VRT). Met als surprise guest: Kol. D’Hert (Logistiek).

Mocht de videolink beschikbaar komen zal ik deze hier later bijplaatsen. De totale tekst is ongeveer 3 pagina’s.

Mijn verwachting was dat er gesproken ging worden over first lessons learned uit de oorlog tussen Oekraïne en Rusland waarna besproken zou worden in hoeverre de Westerse militaire capaciteit toereikend is, waar er gebreken zijn en eventuele beleidswijzigingen vereist. Achteraf bekeken, heb ik niet het gevoel dat we daarop zijn uitgekomen.

Een sleutelelement werd naar voor gebracht door Prof Mattelaer in combinatie met François Michel. De munitieverbruiken in Oekraïne zijn enorm terwijl de meest West-europese Staten duidelijk onvoldoende voorraden hebben om zo’n situatie aan te kunnen. Vanuit het oogpunt van de industrie werd aangegeven dat er ook onvoldoende productiecapaciteit is, maar vooral een noodzaak tot heroriëntatie die tot 10 jaar zou kunnen duren van PSO-ondersteuning naar hoog intensiteitsconflict.

Een tweede sleutelement werd naar voor gebracht door Gen. Thys: op defensievlak leven we in een en/en wereld. Het is noodzakelijk om over een breed pallet aan militaire capaciteiten te beschikken, niet te specialiseren. Tekenend daarbij is dat meegedeeld werd dat België niet in staat is haar eigen territoriale integriteit te beschermen, niet dat hiervoor een onmiddellijke noodzaak is zoals aangekaart door Gen. Damen: België net als NL liggen in een veilig hartland. Op NAVO-niveau is onze huidige militaire capaciteit meer dan een galactie weg, maar het is de ambitie van Gen. Thys om tegen 2030 in de buurt te komen. De hamvraag blijft echter of de huidige plannen voldoende zijn om tot in de buurt te komen rekening houdend met de nakende lessen uit het Oekraïense conflict. Gen. Thys gaf zelf al te kennen dat er een STAR Plus plan uitgewerkt moet worden. Is dat het plan dat begin 2022 terug in de schuiven werd gelegd waardoor we zolang op STAR moesten wachten?

Naar mijn gevoel bleef het aspect logistieke capaciteit onderbelicht doch werd erkend dat logistiek een uitermate belangrijk gegeven is en dat Rusland in dat opzicht spoorgebonden is (quasi ongewijzigd sinds WOII). Ergens werd toegegeven dat onze eigen krijgsmacht op vlak van logistiek dringend zich moet herbronnen en dat er o.a. naar het spoor wordt gekeken. Onderhoud vormt een belangrijk gegeven, als iets gebleken is uit de oorlog tot hiertoe is dat slecht onderhouden voertuigen meer een last dan een meerwaarde vormen. Tegelijk zijn de grootschalige stocks van het Russische leger toch veel minder een ‘game changer’ dan we dachten door kannibalisatie en afhankelijkheid van derden.

Iets wat niet belicht werd is de medische inval, de evacuatie van gewonden (en doden) en de medische behandeling. Nu, toegegeven niet elk aspect binnen een krijgsmacht kan toegelicht worden. De discussie was voornamelijk landcomponent gericht. Ik denk dat er ook aanzienlijk wat lessen uit Oekraïne komen voor de luchtcomponent ook (los van luchtafweer) inzake veerkrachtigheid en operating off-base.  Op maritiem vlak valt er ‘niet veel’ te leren, behalve dat je niet absoluut over een sterke marine moet beschikken om een andere marine weg te jagen – UAS en land-based defense is ook mogelijk.

Een gegeven dat indirect aangeraakt werd door François Michel naar aanleiding van een publieksvraag maar niet dieper op ingegaan werd ging eigenlijk over productiecapaciteit maar schakelde over naar het aspect afhankelijkheid van derden. Voor computerchips zal Rusland in principe moeilijk (tot niet) nog aan nieuwe computerchips geraken, anderzijds zijn we in het Westen ook sterk afhankelijk geworden van productie buiten het Westen van essentiële elementen zoals elektronica. Het leunt aan bij interessante elementen die uit Oekraïne komen waarbij personen Russische wapensystemen ontleden en de elektronische componenten identificeren, zodus ook hun afhankelijkheid. We wisten al dat Thales elektronica gebruikt werd in de modernere Russische tanks. Het grappigste is het gebruik van Boafeng radio’s herpakt in een Russisch omhulsel.

Er werd niet zozeer gesproken over innovatie, behalve het gebruik van COTS UAS systemen die snel worden aangepast voor militair gebruik. Hierbij werd dan de vraag gesteld of we wel moeten investeren in systemen zoals Skyguardian ipv te investeren in goedkopere systemen. Het is hierop dat Gen. Thys antwoordde dat deze nuttig zijn voor verkenning boven zee en dat NATO MALE/HALE UAS systemen volop gebruikt om Rusland in’t oog te houden. Het zijn aanvullende systemen waartoe hij kwam tot het ‘en/en’-verhaal, niet in het of/of verhaal.

Vanuit het publiek was er een vraag mbt civil society en hun rol. Dat werd m.i. ietwat weggezet terwijl we het maatschappelijk verschil zien in draagkracht tussen Oekraïne en Rusland. Oekraïners zijn duidelijk meer gemotiveerd om hun grondgebied te beschermen en de indringer terug te dringen, dan de Russen gemotiveerd zijn de ‘speciale militaire missie’ tot een goed einde te brengen. Ook al in 2014 en daarvoor was duidelijk dat lokale veerkracht (militantisme) mee het verschil kan maken, hoewel ze moeilijk te kanaliseren is. In het beginfase van de oorlog kwamen vrijwilligers toe in Oekraïne die lukraak en veelal als kanonnenvlees werden ingezet, niet altijd gecoördineerd met de reguliere strijdmachten. Op dat vlak volg ik Gen. Thys dat een krijgsmacht in principe de lead zou moeten hebben, maar je mag die vrijwilligers niet zomaar opzij schuiven. Oorlogen win je niet met louter professionele legers maar met citizen armies. Het zou net de meerwaarde moeten vormen om vrijwilligers -staatsburgers of buitenlandse cowboys – om hen te kanaliseren en te mobiliseren op zo’n wijze dat ze een meerwaarde vormen.

Dit brengt mij tot het aspect mobilisatie, in de vorm van een opgeroepen mobilisatie of een levée en masse. Het kwam kort te sprake bij de toelichting van de speech van President Putin en diens ‘gedeeltelijke mobilisatie’. De stelling werd ingenomen dat het maanden zal duren voordat die Russische reserve gevormd, uitgerust en omkaderd zal worden. Mijn vrees is dat we dit iets teveel bekijken vanuit een Westerse bias. Soldaten zijn in Rusland minder dan kanonnenvlees. Als beide wereldoorlogen ons iets geleerd heeft is dat Rusland er niet voor terugdeinst om soldaten vooruit te jagen (opgejaagd door NKVD) en door ervaring zullen ze gevormd worden waarbij natuurlijke leiders tot stand zullen komen. Hetgeen mij brengt tot waar ik naartoe wil gaan met het aspect mobilisatie: het Westen is m.i. niet langer in staat om te mobiliseren. Welke capaciteit hebben wij nog om ineens grote aantallen soldaten te vormen en uit te rusten? Die capaciteit is verdwenen sinds de jaren 1990.

Een mooi voorbeeld van een ander aspect uit de oorlog in Oekraïne en Westerse militaire capaciteit is de informatieoorlog. Oekraïne wint die – in onze ogen – maar we moeten toch opmerken dat binnen onze eigen maatschappij toch wel wat mensen zijn die meedraaien in het Rusland-verhaal (inclusief militairen). Tijdens de avond had Gen. Thys het over in hoeverre mensen in het Westen bereidwillig zijn Oekraïne te steunen bij toenemende gasprijzen. Wel, dat is een aspect van de informatieoorlog. Onze energieprijzen zijn niet louter door de oorlog in Oekraïne. Er is een vraag & aanbod probleem door het o.a. wegvallen van Russisch aanbod, dat klopt. Omdat binnen de Europese Unie we ons te afhankelijk hebben gemaakt ondanks eerdere gascrisissen (2008-2009). Het prijssetting mechanisme van onze energierekeningen vormen ook een aanzienlijk probleem want die is gasbiased om de green deal te kunnen betalen. Naast dat beleidsmatig we de vaste kosten (transport) laten oplopen. Het is tekenend in hoeverre Westerse krijgsmachten niet echt actief lijken te counteren op die informatieoorlog, daar wordt gekeken naar de journalistiek. Allicht daarom de vraag gericht aan journalist Jens Franssen.

Het is en blijft mijn stelling dat Defensie actiever moet communiceren en informeren, ze moet deelnemen aan de informatieoorlog door middel van correcte duiding (dat beginnen we nu meer en meer te zien op DeAfspraak). Daarnaast moet ze meer modern en gericht communiceren naar de burgers om haar draagvlak te herstellen, via de moderne manieren: sociale media. Het televox format van weleer is verdwenen, dat was gewoon te oudbollig, maar Defensie blijft gewoon te afwezig op vlak van sociale media inzake duiding & informeren. Toen aan de mensen wat jullie doen, waarom jullie dat doen, met welke middelen en wat ontoereikend is en wat we ermee kunnen bereiken en niet bereiken. Dit is even – if not – belangrijk(er) dan cybersecurity. Iemand als Nicolas Gosset moet je gebruiken om zelf te duiden naar het publiek toe mbt Rusland en het conflict. Ludiek ingevuld:

Iets wat ik persoonlijk weerhou is dat er een evenwicht moet zijn tussen kwaliteit en kwantiteit. Een professioneel leger moet over voldoende kwantiteit beschikken en vooral kwaliteit, met een constant oog voor innovatie. Bij mobilisatie heb je noodzaak om kwaliteit uit te bouwen op een korte pragmatische manier maar heb je vooral extra massa nodig. Onze ‘oude brol’ is nog altijd nuttig, vooral als je niet altijd het over nieuwste duurste gucci-materieel kunt beschikken.

Ik moet proberen tot een einde te komen. Wat hebben we tot hiertoe geleerd uit de oorlog in Oekraïne en de Westerse militaire capaciteit dat we moeten omvormen naar beleid? Uiteindelijk zou dat de essentie moeten zijn. We leren uit het conflict en we vergelijken met wat wij kunnen en niet kunnen om dit dan te vertolken naar een transitiefase zodanig dat we geleerde lessen implementeren en voorzien zijn.

Er is meer Europese integratie nodig heb ik gehoord, vooral op samenwerking tussen industrie en defensie. Vaak werd er verwezen naar het Amerikaanse voorbeeld met GDLS en Boeing. Het probleem in Europa is dat elke lidstaat haar eigen defensie-industrie wil beschermen. Nederland heeft misschien een niche in fregattenbouwen maar dat wil niet zeggen dat Nederland Europees hofleverancier bij de marines is. Wel, we moeten de materieelvernieuwingscycli meer gelijkstromen. Persoonlijk kijk ik naar het EDA als een vehikel dat alle militaire staven zou moeten samenbrengen om tot gezamenlijke materieelvoorwaarden (omschrijvingen) te komen en evalueren (Joint Program Office) waarbij via industriële competitie een winnaar wordt uitgekozen die het materieel dient door te ontwikkelen en produceren. Die productie kan gedecentraliseerd worden uit strategisch oogpunt maar ook vooral uit economisch oogpunt – niet vanuit ‘eigen portemonnee eerst’ standpunt.


Opvallend is dat er géén concurrentie is EU en NAVO. Logisch, EU-leden die ondanks dezelfde bescherming genieten via Art. 42 (7) Verdrag v/d Europese Unie, als bij Art.5 NAVO kiezen ervoor om aan te sluiten bij de NAVO. Er is géén concurrentie want het is de NAVO die primeert. De EU financiert wel de wapenleveringen aan Oekraïne die nationale Staten kunnen verzilveren voor hun eigen industrieën, met belastinggeld dat al afgeroomd is van nationale lidstaten. Ik vrees dat het opnieuw vooral de VS is die Oekraïne overeind aan het houden is, met Europese steun in plaats van omgekeerd.

Wat mij het meest opgevallen is – behoudens vergissing – is dat ik géén enkele beleidsmaker herkend heb in de zaal. Waar waren die? Zulke evenementen zijn ideale gelegen heden om te horen waar ruimte voor verbetering mogelijk is en wat er leeft. Ongeacht of iemand afkomstig is uit de oppositiezijde of uit de meerderheid.  

Ik heb ervoor gekozen om géén vragen te stellen tijdens het vragenuur. Ik had wel twee vragen in gedachte: Zit er een beleidsmaker in de zaal? was er ééntje van. De andere vraag die in mijn hoofd rondzwierf was: als we de veiligheidscultuur en krijgsmacht van iedere Europese staat als een template aanschouwen; naar welk model zouden we onze krijgsmacht moeten hervormen of welke Staat zou er dan momenteel het best voor staan? Zelf kijk ik per definitie naar het Verenigd Koninkrijk, alternatief kijk ik naar Finland/Zweden. Maatschappelijk paraat, voorzien en uitgerust. We hebben al genoeg reportage gezien over de schuilbunker voorzieningen in Finland waarvan we in België alleen kunnen dromen of in verval ergens verdoken terugvinden. Mobilisatiecapaciteit is key in beide laatste vernoemde Staten. In beide gevallen gaat het om Staten die niet rijker noch meer bevolkt zijn dan België, maar wel geografisch een veel groter gebied moeten bestrijden (en verdedigen).

auteur: David Vandenberghe.

Share this:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *